Titel

Waarom reïncarnatie waarschijnlijk lijkt

Geplaatst door

Titus Rivas   (publicatiedatum: 28 August, 2006)

Samenvatting

Titus Rivas geeft een beknopt overzicht van de redenen waarom reïncarnatie waarschijnlijk de beste hypothese is voor bepaalde spontane gevallen.


Tekst


Waarom reïncarnatie waarschijnlijk lijkt

door Titus Rivas

Over het geheel genomen ziet de intellectuele westerling reïncarnatie als een Fremdkörper dat niet te integreren valt in de westerse beschaving, maar thuishoort in het dromerige, irreële Oosten of onder zweverige aanhangers van de New Age-beweging. Men denkt vaak dat er slechts drie soorten aanleidingen zijn om in reïncarnatie te geloven.
Allereerst primitieve vormen van analogie-denken, waarbij iemand uit de regeneratie van de natuur in de lente, na de ‘dood’ in de winter, de conclusie trekt dat zo’n herstel ook voor de mens geldt. Na de dood volgt met andere woorden steeds weer een ‘lente’ in de vorm van een reïncarnatie in een embryonaal lichaam.
Een andere bekende aanleiding voor het geloof in reïncarnatie kan gelegen zijn in (als paranormaal beschouwde) hypnotische regressies naar wat in werkelijkheid slechts fantasie-vorige levens zijn (1).
Verder baseren veel mensen hun geloof op religieuze openbaringen van Krishna, Boeddha, Blavatsky of Steiner.
In menig boek over het onderwerp wordt veel aandacht aan deze drie bronnen van de reïncarnatiegedachte besteed.
Ondertussen is er reeds sinds de jaren zestig een gerenommeerd westers onderzoeker die op basis van zijn empirische bevindingen stelt dat geloof in reïncarnatie alleszins als rationeel te beschouwen is. Zijn naam is Ian Stevenson, en hij is psychiater en parapsycholoog, als hoogleraar verbonden aan de Universiteit van Virginia in Charlottesville. Stevenson is zeker één van de belangrijkste onderzoekers van zogeheten paranormale verschijnselen uit de westerse geschiedenis. Zijn degelijke methoden worden ook door buitenstaanders geroemd. Het is dan ook tekenend dat de aantijging die P. Vroon enkele jaren terug abusievelijk tegen Stevenson lanceerde (2), als zou deze hebben toegegeven dat hij voortdurend bij de neus genomen was in zijn onderzoek, nooit meer door Vroon – of iemand anders - is herhaald. Als Ian Stevenson controversieel is, dan niet wat betreft de kwaliteit van zijn onderzoek. Er zijn weinig wetenschappers die zijn niveau wat dat betreft weten te evenaren.

Het onderzoek
Stevenson is reeds zo’n dertig jaar bezig met onderzoek op dit gebied (3). Hij is niet de eerste die verschijnselen die op reïncarnatie wijzen kritisch heeft onderzocht, maar zeker wel één van de degelijkste. Een van de bekendste internationale onderzoeker is de IJslander Erlendur Haraldsson. In India zijn onder andere Jamuna Prasad, K.S. Rawat en S. Pasricha het vermelden waard. In Brazilië is onder meer het team van H. Guimaraes Andrade van belang. In Nederland, Spanje en andere Europese landen worden, onder meer door schrijvers dezes, reeds sinds enige tijd pogingen gedaan om hun bevindingen te reproduceren. Het onderzoek vóór Ian Stevenson was voornamelijk incidenteel van aard. Er deed zich af en toe een interessant geval voor, dat dan door de direct betrokkenen werd onderzocht. Het vermelden waard zijn onder meer de onderzoekingen rond de Japanse jongen Katsugoro en de Indiase studies van K.K.N. Sahay. Opvallend hierbij is dat niet zozeer de verschijnselen zelf, maar alleen de degelijkheid waarmee ze worden onderzocht, lijkt te veranderen in de loop der tijd. Er is sprake van een grondstructuur die het beste aan de hand van een concreet geval duidelijk gemaakt kan worden.

Het geval Kumkum Verma
Ik citeer rechtstreeks uit Stevensons verslag over dit Indiase geval (4): "Kumkum Verma werd geboren op 14 maart 1955, als de tweede dochter en het derde kind van dr. B.K. Verma en zijn vrouw, Subhadra, die woonden in Bahera, een dorp in Noord-Bihar, niet ver van de stad Darbhanga. Kumkum was tweeëneenhalf jaar oud toen zij samenhangend begon te praten. Op de leeftijd van drieëneenhalf, begon ze te praten over een vorig leven, dat ze volgens haar had geleid in Urdu Bazar, Darbhanga.
Zij noemde beetje bij beetje talrijke details in verband met haar zoon, Misri Lal, en kleinzoon, Gouri Shankar, en tevens in verband met gebeurtenissen uit haar vorige leven. Zij vermeldde dat ze was gestorven "ten gevolge van een geschil" en zei dat een schoondochter haar had vergiftigd. Zij manifesteerde in deze tijd ook bepaalde psychologische trekken, bijvoorbeeld extreme vrijgevigheid, die op haar familie overkwam als typerend voor personen van die klasse (…) De uitspraken en het gedrag van Kumkum Verma kwamen nauw overeen met de feiten in het leven van (…) Sundari, die was gestorven in Darbhanga in (bij benadering) 1950, ongeveer vijf jaar voor Kumkums geboorte. "
We zien aan de hand van het geval Kumkum Verma ten eerste dat het bij het wetenschappelijke reïncarnatieonderzoek primair (hoewel niet uitsluitend) gaat om spontane (‘natuurlijke’) gevallen en niet op de eerste plaats om hypnosegevallen of déjà-vu. Ten tweede zien we dat de hoofdpersonen in kwestie (meestal) geen volwassenen, maar jonge kinderen (peuters en kleuters) zijn. Ten derde zien we dat deze kinderen uit zichzelf beginnen te praten over een vorig leven en daarbij meer of minder exacte gegevens naar voren brengen. Ten vierde blijken deze gegevens dan overeen te komen met het leven van een specifieke, concrete overledene.
Verder is het van belang te melden dat de kinderen in kwestie veelal sterk emotioneel betrokken zijn bij hun uitingen. Over Kumkum schrijft Stevenson onder meer:
"Kumkum toonde een sterke wens om naar Urdu Bazar te gaan, in Darbhanga. Toen zij vernam dat iemand anders daar heen ging, vroeg ze of ze mee mocht, en ze huilde toen haar dat niet werd toegestaan. Toen haar gezin op een gegeven moment in Darbhanga verbleef, verwijderde zij zich een tijd lang van de rest van de groep voordat haar afwezigheid werd opgemerkt. Toen ze was opgespoord, bleek ze langs de weg richting Urdu Bazar te lopen. Toen ze niet wilde stoppen, moest ze worden opgepakt en naar de rest van de familie worden teruggebracht."
Ook vertonen kinderen soms fobieën die verband houden met traumatische ervaringen die de persoon die zij zeggen te zijn geweest inderdaad had meegemaakt.
Bovendien vertonen sommige kinderen fysieke markeringen, zoals moedervlekken, die te maken hebben met dodelijke verwondingen die hen het leven zouden hebben gekost.

Fantasie of meer?
Een gezonde eerste reactie op de kennismaking met dit soort gevallen is dat het wel allemaal fantasie zal zijn. Kinderen zitten nou eenmaal boordevol verbeeldingskracht en dit zijn er weer eens grappige staaltjes van. Hoe legitiem zo’n reactie aanvankelijk ook is, het lijkt naïef wanneer men bij deze mening blijft na bestudering van het relevante onderzoek.
Er blijkt namelijk een kern van gevallen te zijn waarbij men voor er enige verificatie plaatsvond, de uitspraken van het kind opschreef. Dit sluit fantasie uit in die gevallen, waarbij de uitspraken dan nog steeds overeenkomen met het leven van een persoon die van tevoren volstrekt onbekend was bij de ouders en sociale omgeving van het kind. Een voorbeeld van zo’n casus is het hierboven vermelde geval van Kumkum Verma.
Opmerkelijk genoeg blijkt het aantal van dit soort gevallen toe te nemen, zodat het steeds minder plausibel wordt om de uitspraken als fantasie af te doen. In november 1991 wijdde de IJslandse collega van Stevenson, Erlendur Haraldsson zijn lezing voor een internationaal wetenschappelijk congres aan vier nieuwe gevallen van dit type, afkomstig uit Sri Lanka.
Men twijfelt er dan ook niet of nauwelijks meer aan dat fantasie niet in aanmerking komt als hypothese die alle uitspraken zou kunnen verklaren. Daarmee wordt erkend dat het bij reïncarnatieonderzoek draait om anomalieën, met andere woorden verschijnselen die niet goed pas in het gangbare (westerse) wereldbeeld.

ESP of meer?
In Nederland heeft de parapsycholoog Peter van der Sijden begin jaren ’90 aandacht besteed aan het reïncarnatieonderzoek (5). Ook hij twijfelt daarbij niet aan het ‘paranormale’ karakter van in ieder geval een deel van de uitspraken van de kinderen.
Hij verdedigt echter de stelling dat deze uitspraken veel gemakkelijker verklaard kunnen worden door ESP, oftewel retrocognitie, dat wil zeggen helderziendheid ten aanzien van het verleden. Net zoals kinderen soms indrukken kunnen krijgen van de toekomst, kunnen zij soms iets opvangen van het leven van een overledene.
Men moet binnen de parapsychologie de ESP-hypothese natuurlijk altijd een kans geven. Maar de vraag is of ESP werkelijk alles kan verklaren wat er bij reïncarnatieonderzoek te zien valt. Waarom zou een kind zich bijvoorbeeld zo sterk gaan identificeren met een volwassene die hij of zij nooit heeft gekend? Het kind heeft immers genoeg nabije, levende identificatieobjecten, mag men in de meeste gevallen veronderstellen. Het gaat mijns inziens veel te ver om een jong kind zo maar complexe motieven toe te schrijven voor zo’n identificatie.
Er moet daarom meer aan de hand zijn (6).

Waarom reïncarnatie waarschijnlijk bestaat
Nu kan men natuurlijk de wildste hypothesen gaan opstellen over wat er nou nog meer zal spelen bij de kinderen waar het hier om gaat. Ze zouden bijvoorbeeld allemaal bezeten kunnen zijn door demonen die de ‘gevaarlijke dwaling’ willen verspreiden dat er reïncarnatie bestaat. Maar er is nog steeds geen goed empirisch bewijsmateriaal dat er zulke demonen bestaan.
Dat ze bezeten zijn door een overledene, in van plaats van die overledene zelf te zijn, is ook al niet plausibel. In de meeste gevallen is er namelijk geen sprake van twee persoonlijkheden, waarbij de ene steeds met geweld wordt weggedrukt door de andere, maar van één continue persoon die zich b.v. zowel herinnert waarmee zij gisteren heeft gespeeld, als met wie zij 20 jaar geleden getrouwd was.
Het gaat in de wetenschap onder meer om het zo economisch mogelijk omgaan met hypothesen. Daarom dat ESP ook de beste verklaring leek. Maar ESP blijkt te kort te schieten. Het wordt dan zaak om een zo eenvoudig mogelijke verklaring te zoeken die wel kan voldoen. Die verklaring is reïncarnatie: de kinderen die beweren een vorig leven te hebben gehad, hebben dat leven zeker in een deel van de gevallen echt zelf geleid. Hetgeen tot de conclusie moet voeren dat zij gestorven zijn en gereïncarneerd in een nieuw lichaam.

Een wetenschappelijke revolutie
We leven wetenschappelijk gezien in een zeer opwindende tijd. Voortdurend doen theoretische fysici, kosmologen, genetici, en artsen verslag van doorbraken in hun inzichten in de aard van de fysieke wereld.
Maar wat weinigen vermoeden is, dat één van de grootste wetenschappelijke revoluties uit de geschiedenis van de mensheid onze eigen geest zal betreffen. De parapsychologie wint gelukkig al meer terrein met zaken als het Ganzfeld-onderzoek van Charles Honorton en anderen. Van zelfs nog ingrijpender belang zal naar alle waarschijnlijkheid het parapsychologische reïncarnatieonderzoek blijken te zijn.
Wil het onderzoek invloed hebben, dan zal echter eerst het materialistische klimaat in de westerse filosofie moeten worden vervangen door een dualisme dat wijst op het bestaan van een onstoffelijke, persoonlijke geest. Er zijn meer dan voldoende (analytische en empirische) argumenten om het materialisme definitief de das om te doen, en het is een kwestie van tijd voor zij hun werk hebben gedaan.
Vervolgens zullen onderzoekers uit alle windstreken zowel kwantitatief als kwalitatief zo goed mogelijk materiaal moeten zien te verzamelen, analyseren en publiceren.
Binnen een totaal nieuw paradigma van de persoon als geest, zal dan het eigenlijke reïncarnatieonderzoek kunnen plaatsvinden: de speurtocht naar de wetmatigheden rond reïncarnatie en rond het zich herinneren van een vorig leven.
Enkele namen zullen dan onvergetelijk worden, waaronder Jamuna Prasad, K.S. Rawat, S. Pasricha, H.G. Andrade, Erlendur Haraldsson en bovenal Ian Stevenson.

Noten
1. Rivas, T. 'Reïncarnatie-onderzoek in Nederland: Geïnduceerde gevallen.' Spiegel der Parapsychologie, 31, 2, 104-109, 1992.
2. Zie Vroons column 'Obscurantisme', in De Volkskrant (eind jaren '80), waarin Vroon een misleidende weergave geeft van een Amerikaans artikel waarin Stevenson voorbeelden geeft van tot dan toe ongepubliceerde, alles behalve representatieve gevallen van fraude en zelfbedrog.
3. Stevenson, I. Children who remember previous lives: A question of reincarnation, University Press of Virginia, Charlottesville 1987.
4. Stevenson, I. Cases of the Reincarnation Type: Vol. I. Ten Cases in India, University Press of Virginia 1975.
5. Van der Sijden, P.C., 'Reïncarnatie en Parapsychologie', Spiegel der Parapsychologie, 31, 1, 23-29, 1992. Zie ook mijn reactie in hetzelfde nummer.
6. Voor meer informatie, zie: Rivas, E., & Rivas, T. Wetenschappelijk Reïncarnatie-onderzoek, 2e druk, Schoon Genoeg, Arnhem 1987.

Dit artikel werd gepubliceerd in Prana, 1992/1993, nr. 74, 52-54. Het werd opgenomen in de bundel Uit het leven gegrepen: Beschouwingen rond een leven na de dood.

Contact: titusrivas@hotmail.com